Op zoek naar technologie om open leermaterialen effectiever te delen en te vinden

Om het gebruik van open leermaterialen in het Nederlandse hoger onderwijs te bevorderen, verkent SURFnet welke technische mogelijkheden er bestaan om het delen, zoeken en beoordelen ervan minder tijdrovend te maken. Tijd is niet de enige drempel die grootschalig gebruik van open leermaterialen belemmert, maar vanuit het oogpunt van de docent is het wel een doorslaggevend aspect. Hier volgen 13 tips om het metadateren te vergemakkelijken en docenten minder te laten zoeken om te vinden.

Drempels wegnemen

Minister Bussemaker heeft de ambitie geuit dat docenten leermaterialen met elkaar delen en van elkaar hergebruiken, om zo gezamenlijk de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Op Dé Onderwijsdagen 2016 benadrukte ze nog eens het belang hiervan. Tegelijkertijd weet het ministerie van OCW dat er drempels bestaan voor het delen en hergebruiken van open leermaterialen. In het hoger onderwijs ontbreekt bijvoorbeeld een goede infrastructuur voor het opslaan, zoeken en selecteren van materiaal. Daarnaast signaleert het ministerie dat er nog onvoldoende ondersteuning en ruimte voor professionalisering van docenten bestaat op dit relatief nieuwe terrein.

Tijd besparen op de korte termijn

Deze blogpost verkent technologische mogelijkheden die kunnen worden benut om enkele drempels te verlagen. We richten ons specifiek op twee belemmeringen:

  1. Het delen van leermaterialen kost veel tijd, doordat het invullen van metadata voor uploadende docenten veel werk is.
  2. Het zoeken en vinden van open leermaterialen kost veel tijd, omdat downloadende docenten eerst moeten bepalen of de leermaterialen geschikt en van goede kwaliteit zijn.

We beperken ons hier tot bestaande en niet al te kostbare technologische oplossingen die op de korte termijn kunnen worden geïmplementeerd. Input en inspiratie voor dit blog komt uit een bijeenkomst van experts op het gebied van diverse technologieën die nauw aan dit onderwerp raken en een viertal additionele interviews.

De informatie over de oplossingen is bedoeld voor informatiemanagers, functioneel beheerders en/of ontwikkelaars van repositories. De belangstelling voor repositories groeit: Diverse hogeronderwijsinstellingen werken momenteel aan een platform voor het delen van onderwijsmaterialen binnen de eigen instelling. SURFnet onderzoekt zelf in hoeverre de bestaande repositorydienst Sharekit na aanpassingen onderdeel kan uitmaken van een infrastructuur voor het (instellingsoverstijgend) delen en hergebruiken van open leermaterialen. Een dergelijke infrastructuur zou onder andere een repository, een zoekportaal of zoekfunctionaliteit en koppelingen met andere systemen kunnen bevatten.

(Semi)automatisch metadateren

Als makers van leermaterialen zijn docenten de aangewezen personen om de bijbehorende metadata aan te leveren. Docenten hebben hier echter niet altijd zin in of tijd voor. Doorgaans kan de instellingsbibliotheek ze ondersteunen bij het invoeren van de metadata, maar op basis van de interviews leert de ervaring dat het helemaal uit handen nemen van deze taak niet werkt. De maker kent de context het beste: in welke les is het gebruikt, voor welk niveau is het geschikt, et cetera. Vooralsnog is metadatering de belangrijkste methode om materiaal vindbaar te maken en te kunnen verbinden aan ander vergelijkbaar of aanvullend materiaal. De aansluiting tussen verschillende repositories berust momenteel nog op het gebruik van dezelfde metadatastandaarden. Achterwege laten van metadata is dus niet wenselijk. Wel is het belangrijk om het proces zoveel mogelijk te automatiseren. Dé killer app voor automatisch metadateren is helaas nog niet uitgevonden, maar houd toch voor ogen dat wat automatisch kan, ook automatisch moet.

De aanbevelingen op een rij:

  1. Houd het bij zinvolle metadata. Door het aantal invoervelden te beperken, verlicht je niet alleen de last van de docent, maar maak je het ook makkelijker om de open leermaterialen te rubriceren. Kies in het kader van de rubricering waar mogelijk voor een keuzelijst, bijvoorbeeld een dropdown menu. Te unieke metadata maken het leermateriaal minder vind- en verbindbaar.
  2. Maak gebruik van in de praktijk bewezen metadatastandaarden, ook als de leermaterialen in eerste instantie alleen binnen de eigen instelling worden gedeeld. Wereldwijd gebruikte classificaties leveren de materialen bredere zichtbaarheid op en zorgen voor een vollediger aanbod op internationaal niveau.
  3. Vaak is het mogelijk om technische metadata, zoals titel, type bestand et cetera, automatisch uit een bestand te trekken. Onder het kopje ‘eigenschappen’ houden Office-producten bijvoorbeeld diverse metadata bij. Instellingen of opleidingen kunnen stimuleren dat docenten standaard onder ‘samenvatting’ ook aanvullende metadata over hun leermaterialen vastleggen, zoals trefwoorden. Google Docs biedt een vergelijkbare optie. Er bestaan ook open source tools waarmee je dergelijke informatie uit PowerPoints en andere standaard documentformaten haalt.
  4. Zorg zoveel mogelijk voor vooraf ingevulde velden in het uploadformulier. Behalve met technische metadata kunnen velden ook vooraf worden ingevuld op basis van het profiel van de uploader, ervan uitgaand dat hij een profiel heeft aangemaakt, of op basis van een eerdere invoer door dezelfde persoon. Om te voorkomen dat de uploader op voorhand ontmoedigd raakt door de hoeveelheid velden, is het beter om de velden die hij niet hoeft in te vullen helemaal niet te tonen. Het is ook technisch mogelijk om docenten te laten metadateren in bulk. Hiermee kunnen ze in één keer verschillende bestanden metadateren.
  5. In de digitale leeromgeving is al veel informatie over de docent en het vak beschikbaar. Als een docent leermaterialen in de digitale leeromgeving ontwikkelt, kan deze informatie door middel van een API als metadatering worden toegevoegd aan de repository waar het materiaal wordt opgeslagen. De meeste grotere leeromgevingen beschikken over API’s die voor dit doel kunnen worden ingezet, zoals bijvoorbeeld Canvas en Blackboard. Uiteraard moet de docent hiervan op de hoogte zijn en toestemming geven.
  6. Software voor spraakherkenning wordt steeds beter. Dit maakt onder andere een betere indexering van video-content mogelijk, waardoor video’s automatisch van metadata kunnen worden voorzien. De technologie werkt op basis van woorden die veel in de gesproken tekst terugkomen, of op basis van een automatisch gegenereerd transcript. Het Europese MOOC-platform EMMA boekt bijvoorbeeld goede resultaten met een machine learning and language processing (MLLP) platform voor transcriptie en vertaling. Dat is in staat om een geautomatiseerde vertaling in meerdere talen te genereren, van tekst naar tekst, van spraak naar tekst, van tekst naar spraak en zelfs van spraak naar spraak.

Open leermaterialen makkelijker vindbaar maken

Het zoeken van leermaterialen van anderen moet zo soepel mogelijk verlopen. Metadatering speelt hierin zoals gezegd vooralsnog een belangrijke rol. Naarmate de hoeveelheid beschikbare materialen toeneemt, zijn echter ook technologische methoden nodig om te voorkomen dat de gebruiker verzuipt in het aanbod.

  1. Door gebruikers een profiel te laten aanmaken, bespaar je ze niet alleen tijd bij het uploaden van leermaterialen (zie punt 2), maar kun je ze ook makkelijker aanbevelingen aanbieden. Of maak gebruik van bestaande persoonlijke pagina’s met profielinformatie van docenten vanuit de instelling of vanuit de leeromgeving. Geef ze de mogelijkheid om het profiel aan te vullen met hun interesses en maak duidelijk dat dit het vinden van relevant leermateriaal vergemakkelijkt.
  2. Ook degene die liever zelf een zoekterm intikt, kan relatief eenvoudig automatische aanbevelingen krijgen, door op basis van kernwoorden suggesties aan te bieden (‘Andere publicaties in dit specifieke domein zijn…’). Zoektermen die tijdens het typen verschijnen (‘Bedoelt u…’) kunnen de zoeker tijd besparen, maar leveren mogelijk ook ongewenste sturing op.
  3. Bestaande bibliotheeksystemen bieden de optie om een zoekinterface te verrijken met aanbevelingen op basis van wat er wereldwijd wordt geleend. Voor een (inter)nationale repository zou een dergelijk systeem ook bruikbaar zijn. Iemand die een leermiddel bekijkt, zou volgens dit systeem moeten kunnen zien welke leermiddelen er (wereldwijd) veel zijn gedownload door andere mensen die dit leermiddel bekeken.
  4. Voor docenten is het eenvoudiger om open leermaterialen te hergebruiken als ze met één druk op de knop kunnen verwijzen naar de bron, zoals dat kan met referentiesoftware zoals Endnote of Refworks. Unified Identifiers (UID’s) of Persistent Identifiers (PID’s), die door onderzoekers worden gebruikt, zorgen ervoor dat een verwijzing klopt, ook als de bron verhuist. Bovendien is een PID essentieel om ook verbindingen tussen objecten aan te gaan. Docenten die ook als onderzoeker werkzaam zijn, zullen al bekend zijn met het gebruik van Digital Object Identifiers (DOI) en begrijpen dat een UID voor open leermaterialen ook essentieel is.

De kwaliteit van open leermaterialen bepalen

Docenten staan onder andere huiverig tegenover het hergebruik van open leermaterialen, omdat ze niet snel kunnen bepalen of materiaal van anderen geschikt is voor hun les. Ook hiervoor is de ultieme technische oplossing nog niet bedacht, maar er is wel een aantal hulpmiddelen beschikbaar om deze drempel te slechten. Denk hierbij aan het aanbrengen van een rangorde op basis van gebruikersstatistieken en/of beoordelingen. Iedere methode kent haar eigen gebreken. De belangrijkste is niet technologisch van aard: hoe zorg je dat mensen daadwerkelijk de moeite nemen om andermans werk van een beoordeling te voorzien? Een mogelijke oplossing is om reeds bestaande communities binnen vakgebieden in te zetten. Mensen zijn eerder geneigd om elkaars werk te beoordelen als ze elkaar kennen, bleek uit een eerdere bijeenkomst over de doorontwikkeling van Sharekit. Zie ook het verslag van deze bijeenkomst.

  1. Er zijn eenvoudige feedbacktools beschikbaar om materialen te laten beoordelen, zoals een WordPress-plugin, waarmee je sterren kunt toevoegen. Het is ook relatief eenvoudig om gebruikers een Facebook like te laten toekennen aan een specifiek boek of artikel of hen erover te laten tweeten. (Het laten beoordelen van leermaterialen door peers op basis van vooraf vastgelegde kwaliteitsindicatoren is een omvangrijkere operatie die we hier buiten beschouwing laten. Meer informatie hierover staat hier.)
  2. Een rangorde aanbrengen in open leermaterialen kan ook op basis van gebruikersstatistieken. Of de beheerders van een repository kunnen zien hoe vaak de leermaterialen worden bekeken en gedownload, verschilt per repository.
  3. Altmetrics zijn relatief nieuwe meetinstrumenten om het gebruik en de impact van een wetenschappelijk artikel te bepalen. Ze crawlen door het web, checken tweets, blogs en mentions, bekijken hoe vaak het artikel op overheidssites en sites van het bedrijfsleven is gebruikt, et cetera. Wellicht kunnen altmetric providers ook worden ingezet om de kwaliteit van open leermaterialen in te schatten. Altmetrics providers zijn onder meer com, PlumX en Impactstory.

Langere termijn

De snelle evolutie van machine learning zal op den duur ongetwijfeld zijn weerslag hebben op het gebruik van open leermaterialen. Denk bijvoorbeeld aan de toepassing van full text search en automatisch gegenereerde suggesties voor gebruikers (custom learning paths), die tijdrovende acties als het invoeren van metadata overbodig maken. Over de termijn waarop een en ander plaatsvindt, lopen de meningen echter flink uiteen.

Ook Linked Open Data kan een bijdrage leveren aan het vergroten van de vindbaarheid van open leermaterialen. Dit is een manier om op zichzelf staande databronnen aan elkaar knopen door middel van webidentifiers. Iedere ‘entiteit’, bijvoorbeeld de naam van een schrijver of de titel van een boek, krijgt een eigen code mee, in de vorm van een URI (Uniform Resource Identifier), waarmee hij op het hele wereldwijde web terug te vinden is. Linked Open Data geven relaties weer tussen de entiteiten. Zo ontdek je bijvoorbeeld dat de schrijver van een studieboek ook amateur-beeldhouwer is: informatie die niet in de catalogus te vinden is, maar uit een heel andere bron wordt gehaald. In het geval van open leermaterialen zouden Linked Open Data verschillende soorten bestanden uit verschillende repositories met elkaar kunnen verbinden.

Een systeem als ORCID, waarmee auteurs op internationaal niveau een digitale identifier krijgen toegekend die hun werk beter uitwisselbaar maakt tussen databases, zou wellicht bruikbaar zijn voor auteurs van open leermaterialen. Dat geldt zeker voor docenten in het WO, die vaak in het kader van onderzoek al beschikken over een ORCID of een andere persoonlijke identifier. Dergelijke technologieën zijn nog volop in ontwikkeling. Bovendien hebben ze als ze eenmaal implementeerbaar zijn een flinke impact op de systemen waarin ze geïmplementeerd worden en zijn daardoor minder makkelijk toepasbaar dan de technologieën die in deze blogpost worden benoemd.

Quick wins en food for thought

De reusability paradox maakt duidelijk dat materiaal altijd vanuit een bepaalde context wordt aangeboden en dat de gebruiker die context nodig heeft om te bepalen hoe het leermateriaal kan worden ingezet. Tegelijkertijd is de gebruiker van plan om het materiaal in een andere context in te zetten. Daarom krijgt hij het liefst kaal en contextloos materiaal, dat makkelijk is aan te passen aan de nieuwe context. Dat de context de inzetbaarheid van het materiaal bepaalt, maar ook inperkt, betekent in ieder geval voorlopig dat de auteur, ondersteund door de bibliotheek, de leermaterialen van informatie over de context moet voorzien. Daarmee voorkomt de auteur ook dat onvoorziene effecten bij hergebruik in een andere context op zijn conto kunnen worden geschreven.

Naar aanleiding van de gevoerde gesprekken is duidelijk dat er een aantal concrete afspraken moet worden gemaakt over het gebruik van metadata, bij voorkeur op het niveau van vakcommunities. We kunnen en moeten op korte termijn het gesprek aangaan over een zinvolle invulling van de invoervelden. Welke metadatavelden moeten minimaal worden gevraagd van een uploader? Welke velden kunnen al geautomatiseerd worden opgehaald en welke kunnen worden overgeslagen in het uploadformulier? Welke metadatastandaarden moeten worden gehanteerd?

Het behoeft nauwelijks betoog dat technologie alleen niet zaligmakend is. Hier ligt een taak voor de bibliotheken. Het aanbieden van aanbevelingen, zoals benoemd in punt 11 tot en met 13, is bijvoorbeeld niet zonder risico. Het kan leiden tot blikvernauwing, doordat gebruikers niet verder kijken dan dat wat ze wordt voorgeschoteld. Ook zijn statistieken en facebookduimpjes niet altijd de meest betrouwbare bronnen om de kwaliteit van leermaterialen uit af te leiden. De instellingsbibliotheken zijn nodig om het zoekproces te ondersteunen, zodat gebruikers de parels boven water krijgen. De bibliotheken zouden daarnaast kunnen onderzoeken hoe zij het aanbod aan open leermaterialen kunnen verrijken, bijvoorbeeld door middel van content curation, het onder de aandacht brengen van interessant materiaal. Het zou mooi zijn als de vaardigheden van de bibliotheekmedewerkers het gemak van de nieuwe technologie zouden versterken, en omgekeerd.

Een laatste opmerking om dit proces te bevorderen: opvallend tijdens deze verkenning was dat technische mensen over dit onderwerp liever doorverwezen naar mensen met kennis van zaken over open leermaterialen en vice versa. Vrijwel niemand voelt zich gerechtvaardigd om zichzelf deskundige op het gebied van technologie voor open leermaterialen te noemen. Met meer blikken over de schutting over en weer is dit wellicht makkelijk te veranderen.

Met dank aan: Frank Benneker, Erik Groeneveld, Dimitri van Hees, Arjan van Hessen, Marco Kalz, Lucas Koster, Harrie van der Meer, Sylvia Moes, Wim Muskee, Theo Zijlmans

Author

Comments

Dit artikel heeft 0 reacties