Drie behoeften: rekenkracht, software en opslag
Tussen oktober en december 2025 heeft SURF een inventarisatie uitgevoerd om te achterhalen in hoeverre docenten behoefte hebben aan specifieke infrastructuur in hun data science of AI-onderwijs. Daarvoor hebben we workshops georganiseerd en gesprekken gevoerd met verschillende docenten en enkele andere betrokkenen, zoals onderwijsondersteuners en functioneel beheerders.
Uit de gesprekken kwamen drie behoeften naar voren:
- De inzet van tijdelijk extra rekenkracht (CPU/GPU) voor data-analyses, simulaties en AI/ML-opdrachten, zonder lokale hardware aan te schaffen. Het gaat dan om meer rekenkracht dan een standaard laptop van een student kan leveren.
- software die op de laptops van studenten te gebruiken is. Door bring your own device (BYOD) komen studenten steeds vaker met verschillende type laptops en softwareversies de klas of collegezaal binnen. De nodige software op al deze devices draaiend krijgen om het onderwijs goed te kunnen volgen wordt steeds lastiger.
- opslag van data die door studenten gegenereerd worden met onderzoek en in vakken. In sommige gevallen gaat het om gevoelige data. Op dit moment is er meestal geen mogelijkheid voor studenten om die data volgens FAIR-principes, veilig en schaalbaar op te slaan met versiebeheer en goede back-up. Er zijn steeds meer doorlopende onderzoeksprojecten waarbij groepen studenten elkaar opvolgen, waardoor deze vraag relevanter wordt.
Data science onderwijs en onderwijs waarin data en AI een rol spelen worden steeds meer gegeven, waardoor er een groeiende behoefte is voor tijdelijk extra rekenkracht, software en opslag.
Onwenselijke alternatieven
Omdat goede oplossingen om tijdelijke rekenkracht en software en opslagmogelijkheden nu ontbreken, maken onderwijsinstellingen gebruik van allerlei alternatieven. Deze alternatieven hebben vaak nadelen:
- Laissez faire: studenten slaan bijvoorbeeld (gevoelige) data ‘overal en nergens’ op, en ze werken thuis aan (data-analyse en programmeer-) opdrachten, wat langzaam gaat maar als enige optie gezien wordt.
- Teams wordt gebruikt als ‘min of meer officieel kanaal’ om datasets te delen.
- Azure wordt in enkele gevallen ingezet als alternatief, wat hoge kosten met zich meebrengt en het onderwijs verder afhankelijk maakt van bigtech. Gratis Azure studentenaccounts worden ook gebruikt. Vraag daarbij is: wat gebeurt er met data? Bovendien is er geen service level agreement aanwezig.
- Oneigenlijk gebruik van onderzoeksmiddelen doordat studenten credits van onderzoekers gebruiken voor onderwijs. De hoeveelheid rekenkracht die nodig is voor onderwijs neemt toe waardoor de credits van onderzoekers in gevaar komen.
- Nu worden stage-/opdrachtgevende bedrijven mede geselecteerd op basis van beschikbaarheid van infrastructuur, omdat dat er bij de instelling niet is. Interessante opdrachten/opdrachtgevers worden soms overgeslagen omdat de infra mist.
- Eigen servers zijn voor sommige instellingen het alternatief. Beheer is daarbij een uitdaging, en ook zal de apparatuur verouderen en opnieuw moeten worden aangeschaft.
- Het onderwijsontwerp wordt in sommige gevallen aangepast. Er wordt minder hands-on lesgegeven, waardoor studenten niet echt ervaren hoe het is om te werken met bijvoorbeeld simulaties of modellen. Die simulaties worden nu bijvoorbeeld door docenten gemaakt, waarna studenten erop moeten reflecteren. De wens is dat studenten echt zelf aan de slag gaan met de simulaties en modellen, omdat ze daarvan het meeste leren.
Eigenlijk komt het erop neer dat docenten minder goed en aantrekkelijk onderwijs kunnen bieden, niet weten waar data worden opgeslagen, dat de oplossingen mogelijk duurder zijn dan nodig, en dat we het onderwijs afhankelijk maken van BigTech.
De vraag is: Hoe zorgen we dat onderwijsinstellingen over 3–5 jaar goed, veilig, schaalbaar en toekomstbestendig onderwijs kunnen bieden? En wat gebeurt er als de sector geen actie onderneemt? In de zoektocht komt verschillende keren naar voren: “Kosten zijn in het onderwijs toch een belangrijkere factor in beslissingen dan digitale soevereiniteit”. Hoe komen we voorbij dit punt?
Een oplossing met de cloudgebaseerde onderzoeksinfrastructuur van SURF?
We hebben nog geen kant-en-klare oplossing. Wel denken we dat een deel van de knelpunten kan worden opgelost met een cloudgebaseerde infrastructuur. Voor onderzoekers heeft SURF nu al zo’n oplossing. Met SURF Research Cloud kunnen onderzoekers relatief eenvoudig een virtuele onderzoekomgeving opzetten, rekenkracht en data-analysetools gebruiken en opties voor dataopslag vinden.
Dat SURF Research Cloud niet binnen het onderwijs wordt ingezet of kán worden ingezet op dit moment komt door:
- Onbekendheid van SURF Research Cloud binnen het onderwijs
- Ontbreken van awareness en beleid (voor Research Data Managemet) voor studenten binnen instellingen
- Ontbreken strategie voor infrastructuur voor data intensief onderwijs
- Andere prioriteit binnen instellingen
- Rollen en processen binnen instellingen niet ingericht
- Mensen & middelen beperkt (en bezuinigingen)
- Onduidelijkheid over kosten en investeringen
Uitvinden in een Proof of Concept
De cloudgebaseerde onderzoeksinfrastructuur van SURF zou een positieve rol kunnen spelen in het onderwijs. Docenten kunnen data intensief onderwijs geven met de nodige rekenkracht, software en opslag. Daarvoor zijn welke enkele aanpassingen nodig en zijn er nog aandachtspunten te adresseren. In de inventarisatie uit 2025 is al een beeld geschetst van hoe het zou kunnen werken en welke aanpassingen gedaan moeten worden.
Zo moet er een bekostigingsstructuur worden uitgedacht en -gerold. Ook kan de infrastructuur ‘er niet even uit liggen’. Vooral tijdens toetsen is het heel belangrijk dat de nodige infrastructuur werkt en hiervoor is gealloceerd. En het moet niet te moeilijk zijn. Support en handleidingen voor docenten moeten worden geregeld. De geïnterviewden gaan ervan uit dat instellingen expertise opbouwen, zodat het aanvragen en opzetten (door docenten) en het beheer (intern ondersteuningsteam) zelf kunnen worden opgepakt.. Hoe, wie en wat precies leveren nog vragen op, die we onder andere met een Proof of Concept met instellingen proberen te beantwoorden.
Zie jij de behoefte, risico’s en urgentie?
Inmiddels is er een groeiende groep docenten die de behoefte herkennen, net als de risico’s van niets doen en de urgentie om in actie te komen. Speelt dit bij jouw instelling ook? Zien we dingen over het hoofd? We horen graag ook jouw input. Of je nou docent, onderwijsondersteuner, bestuurder of op een andere manier betrokkene bent! Mail naar karianne.vermaas@surf.nl
0 Praat mee