Nienke Stumpel
Werkzaam voor verschillende onderwijsinstellingen en voor het team… Meer over Nienke Stumpel
Veel onderwijsinstellingen willen professionalisering beter laten aansluiten op wat teams en professionals écht nodig hebben. Maar hoe weet je waar iemand staat? Hoe breng je in kaart wat een team of instelling nodig heeft, zonder dat dit overkomt als beoordelingsinstrument of extra werkdruk? Met de snelle opkomst van AI en digitalisering groeit de druk op instellingen om ‘iets te doen’ aan de vaardigheden van personeel en lerenden, vaak nog voordat helder is wat men eigenlijk wil weten of bereiken.
Een werkgroep in Npuls buigt zich momenteel over precies die vragen. Zij werken aan een notitie rondom monitoren die onderwijsinstellingen moet helpen om bewuste keuzes te maken: waarom monitor je, wat monitor je, welk instrument gebruik je daarvoor, en wat doe je vervolgens met die inzichten? We spraken met Fleur Papavoine, Jolien van Straalen-Pas en Derk Bransen over hun belangrijkste overwegingen, inzichten en zorgen.
In Npuls werken meerdere teams aan AI-, data- en digitale geletterdheid (DGAID) in het Nederlandse vervolgonderwijs. Dit team, bestaande uit Andrea Prince, Derk Bransen, Fleur Papavoine, Ilona Friso-van den Bos, Jolien van Straalen-Pas, Kim Schildkamp en Maartje Hendrikx, Marieke van Osch, Nienke Stumpel, werkt naast een notitie ook aan een analysekader en een literatuur-overzicht.
Waarom een notitie?
Een duidelijke aanleiding om met een notitie te starten is de behoefte aan een gemeenschappelijke taal. Volgens Fleur kunnen de definities en opvattingen over monitoren uiteenlopen, zowel tussen instellingen als binnen teams. “Met een gedeelde taal wordt het juist makkelijker om samen te werken aan een toekomstbestendige aanpak,” zegt ze. De notitie richt zich daarom niet op het opnieuw omkaderen van alle vormen van geletterdheid (daarvoor worden aparte raamwerken ontwikkeld) maar op het verduidelijken van wat we verstaan onder monitoren en onder een monitoringsinstrument, en hoe dit zich verhoudt tot meten. Door hierover gezamenlijk helderheid te creëren, ontstaat een beter uitgangspunt voor het bewust en doelgericht inzetten van monitoringsinstrumenten.
Daarnaast speelt de vraag hoe onderwijsinstellingen gericht inzicht kunnen verkrijgen in de ontwikkelbehoeften van professionals, teams en organisaties een prominente rol. In eerdere verkenningen zag de groep dat professionalisering vaak losstaat van zulke inzichten, waardoor ondersteuning niet altijd goed aansluit op de praktijk. Monitoring wordt daarom steeds vaker gezien als een manier om, met behulp van monitoringsinstrumenten en -aanpakken, zicht te krijgen op ontwikkelpunten en ontwikkelbehoeften, als vertrekpunt voor gesprek en vervolgacties.
Eerst het doel, dan het instrument
Een belangrijk thema dat direct naar voren komt: meet- en monitorinstrumenten worden soms ingezet zonder dat vooraf helder is waarom er gemonitord wordt. Derk omschrijft dat heel treffend: “Als je niet goed nadenkt over het doel, wordt de tool vanzelf het doel. En dan gaat het mis.” Hij vergelijkt het met het principe ‘garbage in, garbage out’: zonder doordachte keuzes vooraf levert een instrument weinig waardevolle en vaak onvoldoende bruikbare informatie op.
De groep benadrukt dat monitoring altijd gekoppeld moet zijn aan een helder geformuleerd doel. Wat wil je weten? Waarom wil je dat weten? En welke aanpak past daarbij? Daar hoort ook bij dat instellingen moeten beseffen dat een goed instrument ontwikkelen tijd kost. “Soms wordt gedacht: we bouwen zelf wel een tool,” zegt Jolien. “Maar een kwalitatief goed instrument ontwikkelen is echt veel werk.”
“Als je niet goed nadenkt over het doel, wordt de tool vanzelf het doel. En dan gaat het mis.”
— Derk Bransen
Monitoring is nooit een doel op zich
Uit het gesprek komt naar voren dat monitoring volgens de groep vooral betekenis krijgt in combinatie met het gesprek dat erop volgt. Monitoring wordt daarbij niet gezien als doel op zich, maar als ondersteuning van reflectie en dialoog. Derk zegt: “Monitoring kan helpen om het gesprek te structureren en te verdiepen, maar het gesprek zelf blijft essentieel. Juist de combinatie van een doordachte monitoring en een constructieve dialoog maakt ontwikkeling mogelijk”.
De groep ziet monitoring daarom als onderdeel van een uitgebreidere ontwikkelcyclus. Het hoort ingebed te zijn in een lerende cultuur, waarin data gebruikt wordt om samen te reflecteren op aanpak, behoeften en vervolgstappen. Fleur vult aan dat dit gesprek niet alleen door docenten gevoerd moet worden: “Studenten spelen hierin ook een rol. Waar staan zij, en hoe weet je dat als je niet monitort? Dat gesprek gaat over alle lagen van de organisatie.”
Complexiteit: het is geen simpele checklist
Is monitoren ingewikkeld of complex? Het team houdt die vraag zelf actief tegen het licht. Veel instellingen onderschatten volgens de groep wat er komt kijken bij het goed inzetten van monitoring. Het vraagt: reflectie vooraf, passende instrumenten, aandacht voor interpretatie en een proces waarin tijd, ruimte en vaardigheden aanwezig zijn om het gesprek te voeren.
Een risico is dat instellingen verwachten dat monitoring “even snel tussendoor” kan. Volgens Derk vraagt monitoring juist om weloverwogen keuzes en het zorgvuldig doorlopen van stappen. Hij vergelijkt het met een recept: als je niet alle stappen volgt, is het vreemd om vervolgens te concluderen dat het gerecht niet geslaagd is. Zo werkt het ook met monitoring: zonder een duidelijke monitoringsvraag en passende aanpak is het lastig om zinvolle conclusies te trekken over de waarde van een instrument en de gegevens die deze oplevert.
Daarbij komt dat instrumenten soms worden ingezet voor een ander doel dan waarvoor ze bedoeld zijn, bijvoorbeeld door een eenmalige meting herhaaldelijk als monitor te gebruiken. “Dan is het logisch om je af te vragen of dit nog het meest geschikte instrument is,” zegt Jolien.
In dat licht maakt de groep onderscheid tussen meten en monitoren. Meten kan helpen om op een bepaald moment informatie op te halen, terwijl monitoren gericht is op het volgen en duiden van ontwikkeling in de tijd. Verwarring ontstaat wanneer een meting wordt ingezet alsof het een monitor is. Juist door dit onderscheid scherp te houden, kunnen instellingen bewuster kiezen voor instrumenten en hun inzet beter laten aansluiten bij het doel.
Wat instellingen nodig hebben: doel, keuze en gesprek
De groep ziet grote verschillen tussen instellingen in de pilot. Daar waar instellingen goed hebben nagedacht over hun doel en monitoring hebben gekoppeld aan professionalisering en bestaande cycli, “stroomt het,” zegt Fleur. “Dan merk je dat het onderdeel wordt van de werkwijze in plaats van iets extra’s.”
Wat ze instellingen vooral willen meegeven:
Wat duidelijk wordt uit dit gesprek: monitoren is nooit “even een tool gebruiken”. Het is een proces, een dialoog, een houding. Het vraagt om bewuste keuzes, gedeelde taal en een cultuur waarin leren centraal staat.
De werkgroep werkt de komende periode verder aan hun notitie en aan een landelijk analysekader. Daarmee willen ze instellingen helpen bij het maken van goed onderbouwde keuzes in het meten en monitoren van digitale competenties
Oproep aan instellingen
De groep nodigt instellingen uit om met hen in gesprek te gaan. “We zijn heel benieuwd welke instrumenten instellingen gebruiken, en vooral waarom,” zegt Derk. “Waarom juist dát instrument? Wat is het doel? Wat werkt wel en wat werkt niet?”
Daarnaast horen zij graag welke vragen of behoeften er leven. Sommige instellingen vragen bijvoorbeeld al naar raamwerken, professionaliseringsvisies of niveau-indelingen voor digitale en AI-geletterdheid. Zulke vragen helpen de groep om hun visie verder te ontwikkelen en activiteiten te specificeren.
Wil je meedenken of jouw ervaring delen? Neem contact op met het team via Fleur (fleur.papavoine@surf.nl), Jolien ( jolien.vanstraalenpas@surf.nl) of Derk (derk.bransen@surf.nl).
Werkzaam voor verschillende onderwijsinstellingen en voor het team… Meer over Nienke Stumpel
0 Praat mee