Veel aandacht voor digitale leeromgeving op ELI 2017

“The Next Generation Digital Learning Environment” stond tijdens de ELI Annual Meeting 2017 volop in de belangstelling. In Amerika spelen momenteel precies dezelfde discussies rondom de leeromgeving als in Nederland: voldoet ons LMS of is er een betere oplossing? Welke functionaliteit heb je eigenlijk nodig om didactische processen goed te ondersteunen? Hoe kan je verschillende componenten van de digitale leeromgeving goed met elkaar integreren? En welke standaarden zijn hiervoor nodig?

In een preconference over dit thema werd door verschillende groepen via ‘design thinking’ een ontwerp gemaakt van een effectieve en gebruiksvriendelijke nieuwe leeromgeving. Alle groepen kwamen ongeveer op eenzelfde conceptuele model uit: een kernsysteem met daaromheen goed gekoppelde applicaties. Bij sommige groepen bestond de kern alleen uit een administratiesysteem (roster) en analytics. In andere groepen werden daar belangrijke systemen bijgezet zoals een documentmanagementsystem en een onderwijscatalogus. Eén van de deelnemers – een functioneel beheerder – verzuchtte dat er met de koppeling naar zoveel tools wel een optimaal verdienmodel voor leveranciers ontstaat. De vraag hoe je de kosten voor licenties in de hand houdt, is in Nederland ook zeker actueel.

Ook in andere sessie werd gesteld dat het idee van losse tools wel heel mooi is, maar dat het tot veel frustratie kan leiden omdat het niet altijd een goede gebruikservaring oplevert, maar wel heel veel werk voor de technische ondersteuners. Het Tsugi project wil dit gemakkelijker maken met een ‘Framework for Building Learning Tools and Content’. Het idee komt van Charles Severance, een van de initiatiefnemers van Sakai en ook wel bekend als Dr. Chuck. Hij wil onder de noemer ‘Edupress’ het bouwen van leeromgevingen (met content) net zo gemakkelijk maken als het bouwen van websites met Wordpress. Interessant is dat hij zich hierbij baseert op IMS-standaarden.

Voor onze posterpresentatie over de aansluiting van de leeromgeving bij de onderwijsvisie was veel belangstelling. Er waren aardig wat mensen die het werk van SURF al kenden. De boekjes die we hadden meegenomen, werden positief ontvangen.

Net als in Nederland zijn veel universiteiten bezig met de overstap naar een nieuw LMS. Wat opvalt is dat veel universiteiten overgaan naar Canvas. Als we vragen waarom ze dit nu allemaal tegelijk aan het doen zijn krijgen we als antwoord dat het toch een soort kuddegedrag is. Universiteiten zijn bang om de boot te missen. Maar aan de andere kant werd ook verteld dat universiteiten die een pilot gedraaid hadden met Canvas daarna niet anders meer wilden. Dit omdat de gebruikersinteractie veel beter en meer up-to-date is dan de interactie binnen Blackboard of Brightspace.

Een uitzondering hierop vormt de Saint Leo University uit Florida, die werkt met Brightspace van Desire2Learn. Zij hebben een geïntegreerde leeromgeving gebouwd waarin userinteractie centraal staat en die goed aansluit bij hun leerconcept van sociaal en constructief leren: LionShare. Hun leeromgeving is opgebouwd op basis van een Sociaal media-platform (uCroo), courses (Desire2learn), Office 365 als samenwerkplatform en toolkit voor gebruikers en een whiteboardtool voor activerende werkvormen. In een YouTube-video en in blogs op hun website wordt het concept toegelicht. Zij zijn er naar eigen zeggen in geslaagd om deze leeromgeving in een jaar te bouwen en te implementeren. Succesfactor hierin was de bereidheid van leveranciers (D2L en uCroo) gevraagd om samen te werken aan een geïntegreerde oplossing.

Het Pomona College gaf in een vermakelijke presentatie juist aan dat het keuzeproces voor een nieuw LMS bij hen juist had geleid tot de beslissing om geen nieuw LMS aan te besteden. Zij stelde dat iedereen op zoek is naar iets nieuws op basis van ‘rumors and hypes’. Zondermeer doorgaan met het huidige LMS was daarom geen optie voor hen, het was “up or out”. Op basis van allerlei factoren – waaronder de kosten – hebben ze besloten om “up” te gaan. Zij stelden dat dit voor 80% van de gebruikers prima voldoet, voor de overige 20% zijn ze gaan zoeken naar oplossingen zoals de integratie van extra tools en het meer innovatief inrichten van courses. Zij constateerde dat het LMS door veel opleidingen als archief werd gebruikt. En dat je bij de keuze voor een nieuw platform ook functionaliteit verliest. Bovendien moet de wijze waarop je lesgeeft innovatief zijn. Dat is volgens hen veel belangrijker dan een innovatief LMS.

Naast aandacht voor de digitale leeromgeving, was er ook weer veel aandacht voor de fysieke inrichting van de leeromgeving: learning spaces en makerspaces. Veel Amerikaanse universiteiten hebben ruimtes ingericht waarin ze met actieve werkvormen aan de slag kunnen. Kanttekening hierbij is dat werkgroepen in Amerika vaak veel groter zijn dan in Nederland; het kan zomaar gaan om 80 of meer studenten. Op www.flexspace.org worden informatie en voorbeelden uitgewisseld.

Ook andere onderwerpen kwamen aan bod. In een – helaas slecht te volgen – keynote werden pilots met Watson – de supercomputer van IBM gedemonstreerd.  Sayta Nitta, de programmadirecteur Cognitive Computing for Education van IBM Research, presenteerde de recente ontwikkeling van hoog-interactieve technologieën als een historische mijlpaal. Hij vertelde dat computers steeds meer op hersenen gaan lijken, omdat ze steeds meer connecties kunnen leggen. Maar hij benadrukte ook dat computers op zichzelf niet intelligent zijn, in tegenstelling tot wat Hollywood ons graag wil laten geloven. De computer zou in de toekomst met behulp van big-data-analyses kunnen helpen om het gat tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt kleiner te maken. Door het enorme analytische vermogen van de computer zou die studenten kunnen helpen bij het bepalen van de vaardigheden die ze nog moeten ontwikkelen voor een kansrijke carrière. De computer is in staat om in dialoog te gaan met studenten over ingewikkelde concepten en theorieën via ‘natuurlijke taal-interactie’. Zo kan de computer 1 op 1 ondersteuning geven, en de studenten helpen bij begripsvorming. In een pilot hadden studenten veel moeite om te onderscheiden welke ondersteuning van docenten kwam en welke ondersteuning computergestuurd was. Nu lijken dit nog vrij exclusieve pilots te zijn, maar het is interessant om te bedenken wat dit in de toekomst zou kunnen betekenen. Sayta Nitta stelt dat “op het snijvlak van cognitieve neurowetenschappen en cognitieve computing mogelijkheden liggen om het leren te transformeren, om het meer motiverend en effectief te maken.” Er lijken ook zeker grenzen te zitten aan de mogelijkheden van ‘computergestuurde natuurlijke taalinteractie’. Wat bijvoorbeeld als het over standpunten gaat of over actualiteiten. Maar aan de andere kant zou je hiermee zelfs bij grootschalige Moocs 1 op 1 ondersteuning kunnen bieden aan studenten.

In de conferentie is er ook aandacht voor organisaties: hoe organiseer je innovatie. Een mooi voorbeeld hiervan kwam van de Universiteit Utrecht. Daar worden de resultaten van het programma Educate-IT onderzocht via een langlopend flankerend onderzoek door Bestuurs- en Organisatiewetenschappen van de eigen universiteit. Er is onder andere een significant positieve relatie gevonden tussen autonomie van professionals en hun bereidheid om te innoveren. Deze resultaten ondersteunen de uitgangspunten van het programma Educate-IT waarin gezocht wordt naar een goede balans tussen sturing geven aan innovatie en oog hebben voor autonomie van professionals.  

In een presentatie waarin het ging over trajecten waarin het LMS vervangen werd, werd gesteld dat luisteren de allerbelangrijkste vaardigheid is van iedereen die bij de verandertrajecten betrokken is. Daarnaast was er aandacht voor innovatief leiderschap binnen universiteiten. Dr. Eric Fredericksen van de University of Rochester presenteerde de resultaten van zijn onderzoek naar ‘Leadership for Online Learning in U.S. Higher Education’. Hij had veel moeite gedaan om de goede personen binnen universiteiten te bereiken en constateerden dat het leiderschap op veel diverse manieren wordt ingevuld. Er kwam duidelijk naar voren dat het voor veel betrokkenen een pioniersfunctie is. De resultaten van zijn onderzoek worden binnenkort gepubliceerd.

Vanuit het Educause wordt ook onderzoek gedaan. Via een quiz werden de resultaten van een grootschalig internationaal onderzoek onder studenten gepresenteerd. 82% van de studenten gaf aan een voorkeur te hebben voor een blended leeromgeving. Opmerkelijk was dat de studenten veel positiever waren over de ICT-vaardigheden van hun docenten dan de deelnemers in de zaal verwachtten. De bevinding dat (slechts) 20% van de studenten – naar eigen zeggen - meer dan 2 uur per dag op social media te vinden is, werd door de zaal afgedaan als ‘alternative facts’. Een infographic van dit onderzoek is beschikbaar.

Als afsluiting van de conferentie werd zoals elk jaar het Horizon Report gepresenteerd waarin de trends voor de vijf jaar benoemd worden. Opvallend hierin is dat de Next Generation Digital Learning Environment voor het eerst als trend benoemd wordt. Tijdens de conferentie zijn er verschillende voorstellen langsgekomen om de term Next Generation Digital Learning Environment te vervangen door een nieuwe term, zoals OnLearning, Learning Ecosystem en Edupress. Vooralsnog is er geen nieuwe naam die lijkt te beklijven en houden ze het bij het NGDLE. In het Nederlands te vertalen als ‘nieuwe generatie digitale leeromgeving’, ‘de flexibele en persoonlijke leeromgeving’ of nog eenvoudiger als: een modulaire digitale leeromgeving. SURFnet werkt er samen met instellingen en (internationale) partners  aan om dit realiseerbaar te maken.

Author

Comments

Dit artikel heeft 0 reacties