Methodieken en tools voor Blended learning

Verslag SURF workshop, 20 september 2017, door Peter Dekker (HvA)

Frans Weismann, lid van het kernteam van de SIG Blended Learning, opent de bijeenkomst door te stellen dat er heel veel definities van Blended learning zijn. Blenden = Mengen = van alle tijd. Wat er in deze digitale periode dan bij gekomen? Dat is het online deel. Uit de literatuur zijn er drie voordelen bekend van een goede blend: verbeterde didactiek, verbeterde toegang tot materiaal, en als laatste: kostenreductie.

Frans vertelt dat we dit laatste vandaag niet meenemen, wij zitten hier voor goed onderwijs. De vraag voor vanmiddag is, aldus Frans, hoe gaan we borgen dat we deze drie voordelen behalen? Om hiermee uit te komen bij de methodieken en tools voor het ontwerpen van blended onderwijs.

Keynote – Jos Franssen - lector teaching, learning & technologie (INHolland)

In hoog tempo komt er veel inhoud langs. Jos start door te zeggen dat er geen twee, maar drie ‘plekken’ zijn die je kunt mixen: het instituut, de leeromgeving, en de beroepspraktijk. Om zo te mixen moet je didactische aanpakken combineren.

Jos Franssen

De inzet van ICT is daarbij onvermijdelijk. Hij stelt dat veel methodieken een instrumentele benadering hebben, gericht op te behalen leerdoelen en het afleiden daarvan van gewenste leeractiviteiten. Jos stelt dat je het grotere geheel in ogenschouw moet nemen. Daarbij is ook het proces zelf belangrijk: je werkt zo aan draagvlak wat je gaat helpen bij de invoering. Jos komt met een conceptueel model dat al deze dingen combineert. In schema: de ‘positie’ van de student, afgezet tegen de functie van de leeromgeving. Hiermee komt hij tot drie prototypische vormen van leren, zeg maar didactische aanpakken.

Foto van een slide met als titel 'verschijningsvormen van leren'
  1. Individuele zelfstudie: hierbij moet je zelf nieuwe kennis verbinden aan je voorkennis. Dit vereist een interne dialoog waarvoor nogal wat zelfdiscipline nodig is. De technologie kan helpen door variatie te geven in leerbronnen, door het geven van ondersteuning, door het realiseren flexibiliteit (tijd- en plaatsonafhankelijkheid), door zelftesten, etc.
  2. Leren van experts (leren van feedback, d.m.v. interactie). Hierbij moet je leren denken en handelen als een professional. Veel hiervan doe je het beste in de praktijk. De technologie kan helpen door te verwijzen naar veel bronnen in relatie tot feedback, just-in-time beschikbaar stellen van informatie, simulaties, etc.
  3. Samenwerkend leren (leren van verschillende perspectieven, d.m.v. samenwerken). Dit werkt goed door samenwerkingsvormen mits dat meerwaarde heeft, en door toe te werken naar producten. Technologie kan ondersteunend zijn door het ondersteunen van de communicatie, discussie en uitwisseling rond tussenproducten, door het delen en publiceren van de tussenresultaten van de samenwerking.

Je moet een leerpraktijk ontwerpen, zegt Jos, die al deze drie fasen van leren bevat. Daarbij is het ook belangrijk om een balans te vinden in docentsturing vs zelfsturing, afhankelijk van wat studenten moeten kunnen. Om alle gewenste interacties te doordenken kun je gebruik maken van de techniek van scripting. Dit betekent dat je de volgorde van de uit te voeren activiteiten in de te ontwerpen leerpraktijk beschrijft.

Om goed te scripten is het handig om te weten dat er twee ‘niveaus’ zijn te onderscheiden: social scripting (wie interacteert met wie), en cognitieve scripting (de inhoud van de interacties). De combinatie bepaalt de effectiviteit van het script. Vanaf hier gaat Jos in een nog hogere versnelling. Hij brengt Laurillard ter sprake die spreekt over een dialoog in leerpraktijken. Om hiermee aan te tonen dat er verschillende te scripten interactielijnen zijn: ook die met de beroepspraktijk. Kortom, er valt echt heel veel te scripten. En bij samenwerkend leren komt er nog een belangrijke interactielijn bij: tussen studenten onderling. Knelpunt van die laatste is dat je de kwaliteit van het gesprek tussen studenten niet onder controle hebt.

Jos en zijn collega’s doen veel onderzoek naar de scripting van peerreview. In welke fase van de leerpraktijk zijn er veel interacties, waarover, wat is het doel, wie zou wat moeten doen (organisatie), in welke vorm, in welke omgeving, etc. De onderzoeksvraag daarbij is: hoe krijg je vat op de kwaliteit, met als bovenliggend doel om de ondersteuning gericht in te kunnen zetten.

Jos concludeert door te zeggen dat je vooraf goed moet nadenken over de procesgang bij de interacties om de juiste vragen in de juiste volgorde te kunnen stellen. En het proces om dit met elkaar te doen is cruciaal: je moet op eigenaarschap koersen zodat de kans op succes bij implementatie groot is.

Na de keynote konden de deelnemers een van de vier volgende workshops volgen.

  • Workshop SHUFFLE
  • Workshop Carpe Diem
  • Workshop Course Design en Community of Inquiry
  • Workshop Didacttool

Workshop SHUFFLE

Vanuit Saxion werd er door de Instructional Designers Leonie van Vossen en Judith Zwerver van Saxion een workshop SHUFFLE verzorgd. Binnen Saxion wordt deze methodiek inmiddels door veel docenten gebruikt bij het (her)ontwerpen onderwijs. Het levert een blauwdruk van je onderwijsontwerp op waarbij het ervoor zorgt dat je op het juiste niveau, met de juiste leeractiviteiten en daaraan gekoppelde digitale leermiddelen de onderwijsleeromgeving van je studenten inricht. In deze workshop konden de deelnemers kennis maken met SHUFFLE.  Na een korte introductie ging ieder zelf aan het ‘shuffelen’. Een praktisch ingestoken workshop die de deelnemers zelf liet ervaren wat het voordeel is van het gebruik van SHUFFLE in je ontwerpproces.

Een reactie van één van de deelnemers: ‘Super nuttig en praktisch. Ga ik zeker iets mee doen.’

SHUFFLE is een ontwerpmethodiek ontwikkeld door het ICT&O team van Saxion. Ieder kan de materialen downloaden via de website van ICT&O. Bij het ontwerpen werd ook gebruik gemaakt van de werkvormenwebsite Blendy van Saxion.

Workshop Carpe Diem

Op de TUDelft wordt de ontwerpmethode Carpe Diem gebruikt, ontwikkeld door Gilly Salmon.Wiebe Dijksta licht toe dat ze deze methode gebruiken voor het ontwikkelen van Mooc’s, blended courses, online onderwijs. De methode bestaat uit 6 stappen: blueprint maken, storyboard opstellen, prototype maken, reality checken, reviewen en reviseren, implementeren.

Sfeerimpressie van de Carpe Diem workshop

In deze workshop op de SURF-dag staan we vooral stil bij de eerste twee stappen. Met name stap 1, de blueprint is afwijkend t.o.v. andere ontwerpt methoden. In de blueprint, een canvas, word je als team ervoor gesteld een mission statement te schrijven. Dit overstijgt het formuleren van een leerdoel. Het is wat je wilt bereiken met je vak. Een ander aspect van de mission statement : beschirjf wat je voor gedragsverandering wilt bereiken die na een jaar nog steeds is vast te stellen. Een laatste opvallend punt is het - in dit stadium al - nadenken over de look & feel van het programma. Hiervoor is een lijst met karakteristieken beschikbaar waar je in overleg een paar termen uit kiest die het team wil gaan toepassen op deze course. De volgende stap is het maken van een storyboard. Dit storyboard deel je op in tijdsperioden. Per periode, zeg een week, stel je vast: het te bereiken leerdoel, de leeractiviteiten, en de assessmentmethode. Constructive alignement dus.

Onder leiding van Wiebe en collage Lisa Sipma hebben we gewerkt aan een storyboard.

Meer weten, kijk via www.gillysalmon.com

Integrated Course Design & Community of Inquiry t.b.v Blended Learning onderwijs & onderzoek

Judith Rijnhart (promovenda VUMC) liet zien hoe zij blended learning heeft geïntegreerd in haar ontwerp van een driedaagse statistiekcursus. Haar ontwerp is gebaseerd op het Integrated course design van L. Dee Fink. In het ontwerp worden online activiteiten en face-to-face-activiteiten op zodanige wijze gecombineerd, dat zij elkaar versterken en de studenten aanzetten tot diepte-leren. Onder leiding van Luuk Terbeek (Co-voorzitter SURF SIG Blended learning en onderwijsadviseur VU Amsterdam) gingen we samen actief aan de slag met het effectief ontwerpen van een blended learning-cursus. Hierbij werd ook gewerkt met het Community of Inquiry-framework (Vaughan, Cleveland-Innes en Garrison). Deelnemers werkte hierbij in groepen aan een Blended Learning cursusontwerp in een gedeeld document, waarna iedere groep hetgeen deelde wat hen het meest aansprak in inhoud en werkwijze, een inspirerende workshop waarbij theorie en praktijk verbonden werden

Workshop DidactTool

JaapJan Vroom (senior adviseur onderwijsinnovatie) van het Deltion College liet de deelnemers met de Deltion DidactTool onderwijs ontwerpen. Het analoge spel bestaat uit een spelbord waarop op acht speelvelden kaartjes moeten worden gelegd. Deze kaartjes vormen samen de studentenactiviteit waarmee een bepaald leerdoel gehaald kan worden.

Dit bordspel kan op een aantal manieren worden ingezet, als bewustwordingstool en als ontwerptool. Binnen het Deltion is de DidactTool een belangrijke schakel naar het verblenden van onderwijs. Idealiter volgen leraren eerst de training actirerende didactiek. Hier verbeteren ze hun eigen bestaande onderwijs. Om de stap naar het verblenden te maken spelen deelnemers aan het eind van de training de DidactTool. Daardoor worden ze zich bewust van allerlei keuzes die je kunt maken in een onderwijsontwerp, een ontwerp dat bijna automatisch een blended ontwerp wordt. Na het spelen volgen de leraren de training 'ontwerpen van blended onderwijs'. Hier kan het spel gebruikt worden als daadwerkelijke ontwerptool.

Een vrouw neemt met haar smartphone een foto van de DicactTool

Binnen de workshop werd positief op de tool gereageerd. Het viel de aanwezigen vooral op dat het spel een onderwijskundig gesprek op gang brengt waarbij het bijna niet over techniek gaat. Opvallend was ook dat soms het spel- en ontwerpprincipe van leerdoelgericht ontwerpen niet bij iedereen even duidelijk was. Meer informatie over de didacttool is hier te vinden.

Key note - Frank van den Ende - practor van het Summa College (mbo)

De afsluiting van het seminar wordt verzorgd door Frank van den Ende, practor. Een practor? Dat is te vergelijken met de lector van het hbo. De practor leidt, jawel, een practoraat: een kenniskring van collega’s die samenwerken aan beroepsgericht onderzoek.

Frank van den Ende presenteert

Frank begint zijn verhaal door te vertellen dat het mbo een belangrijk probleem heeft: heel veel beroepen waar ze voor opleiden zijn geen lang leven beschoren. Dit betekent onder meer dat je de link met de beroepspraktijk heel kort moet houden om snel op veranderingen in te kunnen spelen. Dat laatste gaat de docenten eigenlijk heel goed af, misschien wel te goed: veel docenten in het mbo voelen zich niet zo heel erg docent, het zijn vooral vakmensen met niet zoveel didactische bagage. Om een getal te noemen: leidinggevenden in het mbo zeggen dat ca. 50% van de docenten voldoende didactische vaardigheden hebben.

Maar laten we vooral stilstaan bij de goede punten: de vakkennis van docenten is top. En er komt in het mbo steeds meer aandacht voor onderzoek. In dat kader zijn de practoraten opgezet, om een meer onderzoeksmatige houding bij de eigen docenten te realiseren.

Het practoraat van Frank gaat over activerende didactiek met deze twee onderzoeksvragen.

  1. Methodieken en werkvormen: waarom werkt het wel of niet. Bevordert het zelfregulatie en/of intrinsieke motivatie.
  2. Implementatie van activerende didactiek: wat werkt wel en wat werkt niet.

Na meer uitleg over de opzet van een practoraat slingert Frank een belangrijke stelling de zaal in waar we meer rekening mee moeten houden in termen van ontwerpmethodieken: ‘weten we wel wat de leerlijn is van een individu?’ Het is een oproep om over de muren van je onderwijssector heen te kijken. Denk aan de 21st century skills. Dat is niet iets waar je in jaar 1-4 van je hbo-opleiding aan werkt, dat begint al in het basisonderwijs.

Meer info: www.activeerjeles.nl, @activeerjeles (Twitter), activeerjeles (Instagram)

Author

Comments

Dit artikel heeft 0 reacties